Bijgewerkt op . Elke wijziging zetten we ook in Wat verandert er.
In het kort
- Peildatum: box 3 over 2026 kijkt naar je vermogen op 1 januari 2026. Staat er die dag minder in box 3, dan betaal je minder.
- Wat werkt: geld dat vóór 1 januari blijvend uit box 3 gaat. Bijvoorbeeld naar de hypotheek op je eigen huis, naar een lijfrente, naar een groenfonds of naar iemand aan wie je schenkt.
- Wat niet werkt: geld rond 1 januari tijdelijk verschuiven. Draai je het binnen 3 maanden terug, dan rekent de Belastingdienst alsof je niets deed.
- Rekenvoorbeeld: met € 40.000 spaargeld en € 80.000 beleggingen betaal je over 2026 € 966. Ging er in december 2025 € 20.000 spaargeld naar je hypotheek, dan is dat € 739.
- Bron: Wet IB 2001, artikel 5.24 en Belastingdienst, gecontroleerd op 30 oktober 2026.
Waarom telt 1 januari zo zwaar?
Box 3 belast in 2026 geen echte opbrengst, maar een verondersteld rendement. Dat rendement rekent de Belastingdienst uit over wat je bezit op één dag: 1 januari. Voor 2026 is dat 1,28% (voorlopig) over spaargeld, 6,00% over beleggingen en andere bezittingen, en min 2,70% (voorlopig) over schulden boven de drempel. Daarna gaat het deel onder het heffingsvrij vermogen van € 59.357 per persoon eraf. Over de rest betaal je 36%. Zo staat het in de berekening van 2026.
Wat je op 2 januari met je geld doet, telt dus pas een jaar later. En geld dat op 1 januari in box 1 of box 2 zit, of helemaal niet meer van jou is, telt niet in box 3. Daar zitten de mogelijkheden. Hoe de som precies werkt, lees je in Box 3 uitgelegd.
Wat verlaagt je box 3 wel?
Dit zijn de routes die de wet zelf biedt. Elke route heeft eigen voorwaarden en een prijs buiten box 3. Die lees je op de pagina erachter.
| Route | Wat het in box 3 doet | Let op |
|---|---|---|
| Hypotheek op je eigen huis aflossen | Het geld gaat uit box 3, de lagere schuld hoort in box 1 | Je trekt minder hypotheekrente af. Later opnieuw lenen is alleen aftrekbaar voor je huis |
| Inleggen in een lijfrente | Een lijfrente met aftrekbare inleg valt in box 1 | Alleen binnen je jaarruimte. Afkopen kost belasting en meestal revisierente |
| Groene beleggingen | € 26.715 per persoon vrijgesteld in 2026, plus 0,1% korting | Alleen aangewezen groenfondsen. In 2027 nog € 200 vrij, per 2028 niets |
| Schenken vóór 1 januari | Het geld telt bij de ontvanger en niet meer bij jou | Het is weg. Boven de vrijstelling betaalt de ontvanger schenkbelasting |
| Tegenbewijs indienen | Je betaalt over je echte rendement als dat lager is | Achteraf, over het hele jaar en zonder heffingsvrij vermogen |
Tegenbewijs is de enige route die achteraf werkt. Je laat zien dat je echte rendement lager was dan het veronderstelde voordeel. Of dat over 2026 loont, reken je uit met de rekentool tegenbewijs.
Met een fiscale partner hebben jullie samen € 118.714 vrij. Hoe jullie de rest verdelen, verandert het totaal niet, want het tarief is voor iedereen 36%. Meer in Box 3 met een fiscale partner.
Via een eigen bv vallen beleggingen ook buiten je box 3. Dan betaalt de bv vennootschapsbelasting, en jij box 2 als je het geld eruit haalt. Wat dat kost, staat in Beleggen via een bv of in box 3.
Rekenvoorbeeld 2026: wat scheelt het?
Stel: je hebt geen fiscale partner en geen schulden. Op 1 januari 2026 heb je € 40.000 spaargeld en € 80.000 in een indexfonds. Dan betaal je over 2026 € 966. Zo verandert dat als je in december 2025 € 20.000 anders had gezet:
| Wat je in december 2025 deed | Box 3-belasting 2026 | Verschil |
|---|---|---|
| Niets | € 966 | € 0 |
| € 20.000 spaargeld naar je hypotheek, een lijfrente of je kind van 18 of ouder | € 739 | € 227 minder |
| € 20.000 beleggingen omgezet in een groenfonds | € 601 | € 365 minder |
| € 20.000 beleggingen verkocht en op de bank gezet | € 794 | € 172 minder |
| € 20.000 spaargeld belegd | € 1.137 | € 171 meer |
De som voor de tweede regel: € 20.000 × 1,28% plus € 80.000 × 6,00% is € 5.056 rendement. Je vermogen is € 100.000, waarvan € 40.643 boven de vrijstelling: 40,643%. Je voordeel is € 2.054 en de belasting 36% daarvan: € 739.
Bij het groenfonds komt daar nog 0,1% heffingskorting bij, hier € 20. Het verschil tussen sparen en beleggen komt doordat box 3 voor beleggingen met 6,00% rekent en voor spaargeld met 1,28%. Wat je echt verdient, telt in deze som niet.
Wat we niet meerekenen. Aflossen kost je hypotheekrenteaftrek in box 1. Een lijfrente geeft juist aftrek in box 1. Een schenking is weg. Een groenfonds en een spaarrekening leveren meestal minder op dan een indexfonds. Die gevolgen verschillen per persoon. Je eigen som reken je na in de rekentool box 3.
Wat werkt niet?
De wet heeft regels tegen schuiven rond 1 januari. In de wet heet dat peildatumarbitrage. Dit zijn de bekendste gevallen.
| Wat je doet | Wat de Belastingdienst doet |
|---|---|
| Half december beleggingen verkopen en half februari het geld weer beleggen | Rekent met je beleggingen, alsof je niets verkocht |
| Half december geld lenen en de lening half februari aflossen | Telt de extra schuld niet mee |
| Geld vóór 1 januari naar box 1 of 2 brengen en binnen 3 maanden terug | Telt het toch in box 3 |
| Geld van de bank halen en thuis bewaren | Telt het mee, boven € 672 per persoon in 2026 |
| Geld op naam van je minderjarige kind zetten | Telt het mee bij de ouder met het gezag |
| Geld overmaken naar je fiscale partner | Niets: partners tellen samen |
Schuiven binnen box 3. Artikel 5.24 kijkt naar een periode van 3 maanden waar 1 januari in valt. Zet je beleggingen vóór 1 januari om in spaargeld en na 1 januari weer terug, dan doet de wet alsof dat niet gebeurde. Hetzelfde geldt voor een schuld die je vlak vóór 1 januari aangaat en daarna weer aflost. Alleen als je aannemelijk maakt dat er een zakelijke reden achter zat, geldt dit niet. Voor crypto werkt het net zo: zie Crypto in box 3.
Schuiven naar box 1 of 2. Breng je bezittingen of schulden uit box 3 naar box 1 of 2, en zijn ze binnen 3 maanden terug met 1 januari daartussen? Dan tellen ze toch in box 3. Bij 3 tot 6 maanden ook, tenzij je zakelijke redenen aannemelijk maakt. Dat staat op Vermogen verplaatsen vanuit box 3.
Contant geld. Voor box 3 is contant geld gewoon banktegoed, volgens artikel 5.2 van de Wet IB 2001. Alleen de eerste € 672 per persoon is vrij, € 1.344 met een fiscale partner. Dat staat in de Fiscale informatie 2026. Ook cadeaubonnen en vouchers tellen als contant geld.
Je kind en je partner. Het vermogen van een kind onder 18 telt mee bij de ouder met het ouderlijk gezag. Pas als je kind op 1 januari 18 is, telt het geld bij je kind zelf. Meer in Spaargeld van je kind in box 3. Geld uitlenen aan je kind van 18 of ouder verhoogt je box 3 juist: zie Geld uitlenen aan familie.
Verandert dit in 2027 en 2028?
PlanVoor 2027 wil het kabinet het heffingsvrij vermogen verlagen naar € 30.846 per persoon, volgens de Kamerbrief van 29 september 2026. Het forfait voor beleggingen gaat dan 1,5 procentpunt omhoog. Met dezelfde € 40.000 spaargeld en € 80.000 beleggingen betaal je in 2027 dan € 1.741. Gaat er vóór 1 januari 2027 € 20.000 spaargeld uit box 3, dan is dat € 1.557. Voor spaargeld rekenen we met het percentage van 2026, want dat van 2027 is nog niet bekend.
PlanVanaf 2028 wil het kabinet je echte rendement belasten: rente en dividend elk jaar, koerswinst op aandelen pas bij verkoop. Dan telt 1 januari veel minder. Wat dat betekent, lees je in Box 3 vanaf 2028. Beide plannen moeten nog door de Tweede en de Eerste Kamer.
Dit artikel is algemene informatie, geen persoonlijk financieel of fiscaal advies. Een route die bij de een loont, kost de ander meer in box 1 of aan schenkbelasting. Twijfel je, dan kan een belastingadviseur je hele situatie bekijken.