Bijgewerkt op . Elke wijziging zetten we ook in Wat verandert er.
In het kort
- Box 3-inkomen: heet officieel het voordeel uit sparen en beleggen. Daarover betaal je in 2026 36%.
- Peildatum: je bezittingen en schulden op 1 januari 2026.
- Vrij: € 59.357 heffingsvrij vermogen per persoon. Schulden tellen pas boven de drempel van € 3.800.
- Percentages 2026: 1,28% voor banktegoeden en 2,70% voor schulden, allebei voorlopig. Voor overige bezittingen 6,00%.
- Bron: Belastingdienst en Wet inkomstenbelasting 2001, gecontroleerd op 25 oktober 2026.
Box 3 heeft eigen woorden, en de Belastingdienst en de wet gebruiken niet altijd dezelfde. Hieronder staat elk begrip in gewone taal, met het bedrag voor 2026.
Hoe werkt de box 3-som in zes stappen?
De Belastingdienst rekent je box 3-inkomen in zes stappen uit:
- Belastbaar rendement: elke soort vermogen maal zijn percentage.
- Rendementsgrondslag: bezittingen min schulden boven de drempel.
- Grondslag sparen en beleggen: rendementsgrondslag min heffingsvrij vermogen.
- Aandeel in de rendementsgrondslag: die grondslag gedeeld door de rendementsgrondslag.
- Voordeel uit sparen en beleggen: belastbaar rendement maal dat aandeel.
- Box 3-belasting: 36% van het voordeel.
Rekenvoorbeeld 2026: je hebt op 1 januari 2026 € 40.000 spaargeld en € 80.000 beleggingen, geen schulden en geen fiscale partner.
| Stap | Som | Bedrag |
|---|---|---|
| 1. Belastbaar rendement | € 40.000 × 1,28% plus € 80.000 × 6,00% | € 5.312 |
| 2. Rendementsgrondslag | € 40.000 plus € 80.000 | € 120.000 |
| 3. Grondslag sparen en beleggen | € 120.000 min € 59.357 | € 60.643 |
| 4. Aandeel in de rendementsgrondslag | € 60.643 gedeeld door € 120.000 | 50,536% |
| 5. Voordeel uit sparen en beleggen | € 5.312 × 50,536% | € 2.684 |
| 6. Box 3-belasting | € 2.684 × 36% | € 966 |
Net als de Belastingdienst in zijn rekenvoorbeelden ronden we het voordeel en de belasting af naar beneden, op hele euro's. Je eigen som maak je met de rekentool box 3.
De som: van forfait tot voordeel
Forfait, fictief of verondersteld rendement
Het forfait is het vaste percentage waarmee box 3 je rendement schat, los van wat je echt verdiende. In 2026 is het 1,28% voor banktegoeden en 2,70% voor schulden, allebei voorlopig, en 6,00% voor overige bezittingen. De wet spreekt van forfaitair rendement (artikel 10.6ter), de Belastingdienst van fictief rendement. Zie Box 3-percentages per jaar.
Rendementspercentage
Bij de Belastingdienst is het rendementspercentage het percentage per soort vermogen, zoals 1,28% voor banktegoeden. De wet rekent ook met het effectieve rendementspercentage: je belastbaar rendement gedeeld door je rendementsgrondslag (artikel 5.2), in het rekenvoorbeeld 4,427%. Zie Box 3 uitgelegd.
Belastbaar rendement
Het belastbaar rendement is de uitkomst van stap 1: je banktegoeden maal 1,28%, plus je overige bezittingen maal 6,00%, min 2,70% van je schulden boven de drempel. De wet noemt het kortweg het rendement en zet een negatieve uitkomst op € 0. Zie Schulden in box 3.
Rendementsgrondslag
De rendementsgrondslag is de waarde van je bezittingen min je schulden op 1 januari (artikel 5.3). Van je schulden telt alleen het deel boven de drempel. Zie Wat telt mee in box 3?
Grondslag sparen en beleggen
De grondslag sparen en beleggen is je rendementsgrondslag min je heffingsvrij vermogen. Zijn jullie het hele jaar fiscale partners, dan mogen jullie de gezamenlijke grondslag verdelen zoals jullie willen, als het totaal klopt. Zie Box 3 met partner.
Aandeel in de rendementsgrondslag
Je aandeel in de rendementsgrondslag is jouw deel van de grondslag sparen en beleggen, gedeeld door de rendementsgrondslag en maal 100. De Belastingdienst schrijft 3 decimalen voor, maar gebruikt er in zijn eigen rekenvoorbeelden 2. Zie Heffingsvrij vermogen box 3.
Voordeel uit sparen en beleggen
Het voordeel uit sparen en beleggen is je box 3-inkomen: je belastbaar rendement maal je aandeel in de rendementsgrondslag. Daarover betaal je in 2026 36%. Na aftrek van persoonsgebonden aftrek, zoals giften, heet het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (artikel 5.1). Zie Voorlopige aanslag en box 3.
Wat telt mee: peildatum, bezittingen en schulden
Peildatum
De peildatum is het begin van het kalenderjaar, voor 2026 dus 1 januari 2026 (artikel 5.2). Wat daarna gebeurt, telt voor het forfait van dat jaar niet mee. Voor een tweede woning geldt in 2026 de WOZ-waarde met waardepeildatum 1 januari 2025. Zie Tweede woning in box 3.
Banktegoeden
Banktegoeden zijn je bank- en spaartegoeden in Nederland en het buitenland, plus onder meer contant geld boven € 672 en je aandeel in het vermogen van een vve. Het percentage voor 2026 is 1,28%, voorlopig; de Belastingdienst stelt het begin 2027 vast. Zie Box 3 op spaargeld.
Overige bezittingen
Overige bezittingen zijn alle bezittingen in box 3 die geen banktegoed zijn, zoals aandelen, obligaties, crypto en een tweede woning. De Belastingdienst noemt ze beleggingen en andere bezittingen. Het percentage voor 2026 is 6,00% en staat vast. Zie Wat telt mee in box 3?
Schuldendrempel
De schuldendrempel, bij de Belastingdienst kortweg de drempel, is het deel van je schulden dat niet meetelt: € 3.800 in 2026, of € 7.600 samen met een fiscale partner voor het hele jaar. Alleen het deel daarboven gaat af van je vermogen, en 2,70% daarvan (voorlopig) van je belastbaar rendement. De hypotheek op je eigen huis hoort in box 1. Zie Schulden in box 3.
Aanmerkelijk belang
Je hebt een aanmerkelijk belang als je, eventueel samen met je fiscale partner, direct of indirect minstens 5% van de aandelen in een vennootschap hebt, zoals een bv. Die aandelen vallen in box 2, niet in box 3. Zie Aandelen in box 2 of box 3?
Partners en vrijstellingen
Heffingsvrij vermogen
Het heffingsvrij vermogen is het deel van je vermogen waarover je geen box 3-belasting betaalt: € 59.357 per persoon in 2026 (artikel 5.5), € 118.714 samen met een fiscale partner. Bij het werkelijk rendement telt het niet mee. PlanVoor 2027 wil het kabinet € 30.846 per persoon. Zie Heffingsvrij vermogen box 3.
Fiscale partner
Je fiscale partner is je echtgenoot of geregistreerd partner. Sta je ongetrouwd met iemand op hetzelfde adres ingeschreven, dan zijn jullie fiscale partners als je aan een van de voorwaarden voldoet, zoals een notarieel samenlevingscontract of een kind samen. Zie Box 3 met partner.
Keuzeregeling: het hele jaar fiscale partners
Zijn jullie maar een deel van het jaar fiscale partners, dan mogen jullie in de aangifte kiezen om het hele jaar als fiscale partners te gelden (artikel 2.17, zevende lid). Dan hebben jullie samen € 118.714 vrij en mogen jullie de grondslag verdelen. Op belastingdienst.nl heet dit kiezen om het hele jaar fiscale partners te zijn. Zie Trouwen, samenwonen of scheiden.
Tegenbewijs, bezwaar en aanslag
Werkelijk rendement
Je werkelijk rendement is wat je vermogen in een jaar echt opleverde: rente, dividend en huur, plus de waardeverandering van je bezittingen, ook zonder verkoop. Betaalde rente op een box 3-schuld mag eraf, andere kosten in de regel niet. Er is geen heffingsvrij vermogen, en een negatief totaal wordt € 0. Zie Tegenbewijs indienen.
Tegenbewijs
Met tegenbewijs maak je aannemelijk dat je werkelijk rendement lager was dan je voordeel uit sparen en beleggen. Dan betaal je belasting over het werkelijk rendement (artikel 5.25, uit de Wet tegenbewijsregeling box 3). Over 2025 en later geef je het door in je aangifte en rekent de Belastingdienst met de uitkomst die voor jou het voordeligst is. Zie Bezwaar of tegenbewijs.
Opgaaf werkelijk rendement
De Opgaaf werkelijk rendement is het formulier waarmee je je werkelijk rendement over 2024 of eerder doorgeeft. Over 2021 tot en met 2024 mag iedereen het invullen, ook zonder brief; over 2017 tot en met 2020 alleen wie een brief kreeg. Zie Opgaaf werkelijk rendement.
Bezwaar
Met een bezwaar laat je de Belastingdienst weten dat je het niet eens bent met een aanslag, en waarom. Bij een aanslag inkomstenbelasting doe je dat binnen 6 weken na de datum op de aanslag, met een formulier of een brief. Tegen een voorlopige aanslag kan het niet. Zie Bezwaar maken.
Voorlopige aanslag
Een voorlopige aanslag is een schatting van de inkomstenbelasting die je betaalt of terugkrijgt. Het box 3-deel van de voorlopige aanslag 2026 rekent met de vaste percentages, want je werkelijk rendement is pas na afloop van het jaar bekend. Klopt het niet meer, dan wijzig je hem in Mijn Belastingdienst. Zie Voorlopige aanslag en box 3.
De plannen voor 2028
Deze begrippen komen uit het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 en de Kamerbrief van 29 september 2026, en gelden nog niet. De Tweede Kamer nam het wetsvoorstel op 12 februari 2026 aan. De Eerste Kamer wacht eerst af hoe de Tweede Kamer een aanpassing, de novelle, behandelt (besluit van 13 oktober 2026).
Vermogensaanwasbelasting
PlanEen vermogensaanwasbelasting belast elk jaar ook de waardestijging van je bezittingen als je niets verkoopt. In het wetsvoorstel is dat de hoofdregel: per jaar telt het verschil tussen de waarde aan het eind en aan het begin, gecorrigeerd voor stortingen en opnames (artikel 5.8). Zie Koerswinst van vóór 2028.
Vermogenswinstbelasting
PlanEen vermogenswinstbelasting belast waardestijging pas als je die realiseert, zoals bij verkoop. In het wetsvoorstel geldt ze voor onroerende zaken en aandelen in startende ondernemingen. Volgens de Kamerbrief komen daar per 2028 financiële instrumenten zoals aandelen, obligaties en opties bij, en in 2030 de overige bezittingen. Zie Box 3 vanaf 2028.
Heffingsvrij resultaat
PlanHet heffingsvrij resultaat is het deel van je rendement waarover je in het nieuwe stelsel geen belasting betaalt, in plaats van een vrij vermogen. Het gaat alleen af van een positief resultaat. Het wetsvoorstel noemt € 1.800 (artikel 5.40); volgens de Kamerbrief wordt het per 2028 € 1.000. Zie Verlies verrekenen.
Dit artikel is algemene informatie, geen persoonlijk financieel of fiscaal advies.